De dag dat alles mag!

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+Email this to someonePrint this page

Schermafbeelding 2015-09-30 om 10.23.30Herinner jij je de dag dat je geboren werd nog? In mijn geval was iedereen superblij, mijn vader, moeder, broer, zus, opa’s en oma’s, ooms en tantes, vrienden, het hield niet op. Allemaal wilden ze komen kijken, mij vasthouden of bijna ‘dood knuffelen’. Wat ik ook deed, alles was goed. Als ik boos was, schreeuwde ik. Als ik verdrietig was, huilde ik. Als ik een boer liet, kreeg ik een schouderklopje. Zelfs als ik een uur in de wind stonk en de poep tot in mijn nek zat, kreeg ik applaus. In die tijd gedroeg ik me eigenlijk volkomen ongeremd, direct, eerlijk en energiek. Totdat ik ongeveer een jaartje, misschien anderhalf jaar oud was. Heel geleidelijk werd alles anders. De nieuwigheid was er kennelijk af en mijn ouders begonnen grenzen te stellen aan mijn spontane uitingen. Daar waar ik eerst goed was zoals ik was, moest ik opeens aan allerlei voorwaarden voldoen. Ik mocht niet meer morsen, niet gillen, niet op de bank springen, geen vla meer in de gordijnen smeren en ik moest eten met bestek. Opeens was ik niet meer goed zoals ik was en dat voelde niet fijn. Dus wat deed ik? Ik ontwikkelde een strategie die bestond uit braaf zijn, goed luisteren, mijn best doen, geen lawaai maken, me beheersen. Als ik aan alle voorwaarden zou voldoen, mocht ik me goed voelen, had ik recht van bestaan, mocht ik er zijn.

De onderdrukking van ons natuurlijke gedrag is in feite een vorm van zelfafwijzing. Zelfafwijzing is dus eigenlijk een bescherming tegen (de angst voor) afwijzing. In dit geval van afwijzing door de ouders. Het is een overlevingsstrategie die we al heel jong toepassen. En omdat je als kind nog afhankelijk bent van je ouders en niet zonder je ouders kan, is het een prima mechanisme. Er kleeft alleen ook een heel groot nadeel aan: het houdt zichzelf in stand, ook wanneer de noodzaak ervan al lang is vervallen. Tenminste, dat begrijp ik sinds ik het prachtige boek van Jan Geurts ‘verslaafd aan liefde’ gelezen heb. Volgens Geurts is zelfafwijzing de motor achter ons voortdurende streven naar liefde en erkenning. En zijn redenering klinkt logisch.

Wellicht herken je bij jezelf het stemmetje: ‘Ik ben stom’, ‘ik doe er niet toe’, ‘ik ben lelijk’, ‘ik ben lui’ of ‘ik ben niet goed genoeg’. Het blijken allemaal voorbeelden van afwijzing van onszelf. Simpelweg omdat deze vorm van afwijzing er van jongs af aan onbewust is ‘ingebakken’. Herken je dit stemmetje niet? Dan hanteer jij misschien meer de strategie om de ‘schuld’ liever bij iets of iemand anders te leggen: ‘mijn moeder moet mij respecteren’, ‘mijn geliefde moet bij me blijven’, ‘mijn kind mag niet ongelukkig zijn’, ‘mijn baas mag mij niet miskennen’, ‘mijn huis moet groter zijn’, ‘mijn auto nieuwer’ of ‘mijn werk interessanter’. Ook dit is volgens Geurts in de kern een vorm van zelfafwijzing.

Waarom ik dit graag met je deel? Omdat dit inzicht over zelfafwijzing mij geholpen heeft. Sinds ik mij realiseer hoe zelfafwijzing in de vroege kinderjaren als verdedigingsmechanisme is ontstaan en het op volwassen leeftijd totaal geen functionele strategie meer is, probeer ik er bewust naar te kijken, het te (h)erkennen en los te laten. En van een vrolijke vader krijg je een vrolijk kind. Het voelt bijna weer als de dag dat alles mag.